Ik ga graag naar eilanden.
Ik groeide op een eiland op, woonde er tot mijn negentiende. Zeven jaar fietste ik over de brug over de Merwede naar school in Gorinchem, en ’s middags weer terug.
Een van mijn eerste vakanties zonder mijn ouders was op Texel. Later kwam ik graag op Vlieland, waar ik vorige zomer met de hittegolf weer was, en ook Terschelling en Schier bezocht ik.
Zeeuws-Vlaanderen is een eiland. Omsloten door de Noordzee, de Westerschelde en allerlei onbekende stroompjes net boven Antwerpen, en natuurlijk aan de zuidkant begrensd door België.
Toen ik nog in Brabant voetbalde, tweede klasse Zuid op zaterdag, speelden we tegen Terneuzense Boys en AZVV uit Axel. Pas in 2003 ging de tunnel open, dus iedere uitwedstrijd moesten we met de bus via Antwerpen, langs het sportpaleis, om de stad heen, en weer naar het noorden, naar Nederland.
Op Zeeuw-Vlaanderen wonen ongeveer honderdduizend mensen. Dat is niet veel. Het eiland waar ik opgroeide telt de helft, maar is vier keer zo klein, en daar woont al bijna niemand.
De vlag van Zeeuw-Vlaanderen is geel met bovenin drie banen – rood wit rood – en onderin drie banen – blauw wit blauw – met golvende randjes. De onderkant is water. Op de vlag staat een zwarte leeuw tegen een gele achtergrond: de Vlaamse leeuw. Hij staat echter tot zijn middel in het water, wat hem weer een Hollandse leeuw maakt.
De Nederlandse leeuw heeft normaal gesproken zeven speren vast, naar de zeven provinciën, en omdat een bundel van zeven dunne speren moeilijker te breken is dan één enkele dikke speer. De leeuw van Zeeuw-Vlaanderen heeft niets in zijn handen. Hij probeert zijn voorpoten boven water te houden.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen