Hij kon wegduiken achter een laag muurtje. Het was geen ideale plek. Het muurtje omsloot een tuin van een huis dat tegen de dijk aankeek, en helemaal achter het huis was het veld met de totem waar hij naartoe moest. Tussen dit muurtje en die totem: de anderen.
Hij luisterde, dat eerst. Hij proberen iets anders te horen dan het bonken zijn hart. Hij slikte. Hij haalde diep adem, blies uit. Hij legde zijn voorhoofd tegen de koude rode bakstenen van het muurtje, dat leek het beste te helpen.
Toen ademde hij weer in en keek over de rand. Niemand te zien, maar dat betekende niks. Er waren zeker tien bomen, struiken daartussen. Er stond een bouwkeet. Er lagen dakdelen opgestapeld bij de fundering die nog maar net af was. Nergens stenen of cement of het begin van muren, het dak was er al. Geen anderen.
Op de dijk ook niemand te zien. Hij keek steeds langs het huis, dan weer naar de dijk. Een man op een fiets zwaaide naar hem. Hij negeerde de man. Klootzak. Als hij me verraadt en ik kom zijn fiets een keer tegen. Fietstassen. Een zwart pompje. Een hoesje over het zadel en een zijspiegel. Kan niet missen.
Zo’n spiegel moet ik hebben, dacht hij.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen