De sneeuw was na een dag en een avond en een nacht weer verdwenen. Mijn zoontje van vier was constant buiten geweest, hij vond het geweldig.

Hij had een dikke jas aan, een muts met flappen over zijn oren waarbij je een panfluit verwacht, een sjaal die achter zijn capuchon nog eens vastgeknoopt zat, te grote warme sneeuwlaarzen die we van vrienden konden krijgen, en wollen handschoenen die na een halfuurtje buiten al doorweekt waren.

We kregen een slee. Dat was mooi, een ouderwetse houten slee, die nu in de schuur hangt hoog in de hoek waar je het hele jaar verder niet hoeft te zijn. Met die slee trokken de buurmeisjes hem rond over de stoep. Hij zat erop als een koning.

Het sneeuwde nog. Zijn muts en sjaal waren wit toen hij naar binnen kwam en zei: Mijn handen zijn bevroren. hij had net op school van alles geleerd over sneeuw en vorst, over bevriezen en ontdooien. Dat had hij allemaal goed onthouden.

Ze maakten een sneeuwpop in de achtertuin. De sneeuw op de picknicktafel en op het gras bleef lang liggen. Hij rolde een grote bal. Ze haalden een wortel uit de koelkast.

Toen hij naar bed ging, doodop, en de buurmeisjes nog in de achtertuin waren zei hij: Ik wil dat die meisjes ook naar binnen komen. Ik wil zelf nog naar buiten. Ik wil niet naar bed. Ik wil dat die meisjes nog even spelen.

Hij was helemaal van het padje af. Hij sliep als een roosje, tot zeven uur de volgende ochtend, toen er alleen nog plukjes sneeuw op de kale grond lagen, bij een boom.

Jan van Mersbergen